Oor magazine (April 17th, 1999, NL)

Published at April 17, 1999

A two part article (written in dutch) in the Dutch magazine OOR published in April 1999. One  part is about David Sylvian (by Herman van der Horst) and the second part is about the history of Japan (by Mark van Schaik).

DAVID SYLVIAN

David Sylvian is niet geheel van deze aarde. Maar hij heeft met Dead Bees On A Cake wel zijn allermooiste plaat sinds Brilliant Trees gemaakt. Het spirituele pad dat de ex­-Japan frontman volgt, is bepaald niet de makkelijkste weg. Maar het loont. Beweert hij.
door Herman van der Horst

Vijf Jaar heeft hij aan de plaat gewerkt. In die periode heeft hij, naar eigen zeggen, de meest vindingrijke en waardevolle ver­anderingen uit zijn hele leven doorgemaakt. Merkwaardige
titel trouwens: Dead sees on A Cake. ‘De thema’s van de plaat hebben te maken met bedwelming. Je op een gelukzalige wijze laten bedwelmen door het goddelijke. Op het spirituele pad dat ik volg, is het zaak om je volledig over te geven aan het goddelijke, of de liefde, zoals je wilt. En terwijl je samensmelt met het object van je begeerte, sterft je ego. Dat wilde ik in een beeld vangen. Het beeld van bijen die versmelten met een taart – het object van hun begeerte – leek me wel grappig.’

SCHRIK NIET, LIEVE LEZERS. David Sylvian mag dan bij tijd en wijle taal uitslaan. die je ook bij Hare Krishna-verkopers of in Oibibio kunt aantreffen – hij is niet eng. Echt niet. Wel is hij altijd omgeven geweest door een geëxalteerd en zwaarmoedig imago. Een introverte, delicate en wat steriele figuur in een grijs pak en met witte make-up. Een man die op foto’s altijd heel dromerig uit beslagen ramen tuurde en die bovendien – zo wilde het hardnekkige gerucht – nooit at. ‘Tja, dan moet daar we1 een kern van waarheid inzitten,’ reageert hij lachend. ‘Soms kan ik inderdaad een moeilijk en zwaarmoedig persoon zijn. Hoewel die kant van mij vaak overdreven wordt Ik ben wel een behoorlijk antisociaal mens. Aan gezelschap heb Ik nooit enige behoefte gehad.’
De metamorfoses die Sylvian gedurende zijn carrière ondergaat, zijn op zijn zachtst gezegd, pijnlijk. Eigenlijk heet hij David Batts, de doodongelukkige zoon van een bouwvakker en een secretaresse, geboren in Lewisham, een van de armste gedeeltes van Zuid-Londen.
‘Ik had maar één ontzettend sterke behoefte: ontsnappen. Ik bevond me in een omgeving, waarmee ik niet om kon gaan en die ik ervoer als onderdrukkend, on­gevoelig en onlogisch. Inmiddels weet ik dat mijn ouders zich in die omgeving ook niet prettig voelden. Mijn vader voerde een verbeten strijd met het dagelijkse leven. Hij was zeer ongelukkig, wat zich uitte in agressie, die soms tegen zijn eigen gezin was gericht. Dat was de enige manier waarop hij zijn frustratie kon uiten.’ David denkt een andere uitweg gevonden te hebben. In een poging zichzelf opnieuw uit te vinden, verandert hij zijn naam en formeert hij een groep met zijn broer Steve (die eveneens zijn achternaam verandert in Jansen) en hun schoolvrienden Anthony Michaelides (Mick Karn), Richard Barbieri en Rob Dean, die in ’81 vertrekt. Aanvankelijk imiteren ze de met kilo’s make-up geplamuurde glamrock-stijl van de New York Dolls en Roxy Music. AlS Japan maken ze tussen ’78 en ’82 vijf albums, waarop ze zich van verwarde glam-tieneridolen ontwikkelen tot een subtiele en volmaakte. volwassen rockgroep.
‘Een kunstmatige façade.’ zo omschrijft Sylvian zijn verschijning in Japan. ‘Als jongen was ik een compleet verloren schepsel. Ik was totaal verdwaald in mijn eigen lichaam; om van mijn geest nog maar te zwijgen. Dat hoor je gewoon in ons werk,
‘Tot een aantal jaren nadat Japan zich had opgeheven, was ik nog steeds zo iemand die niet in zijn eentje een winkel durfde te betreden. Ik was zeer neuro­tisch. Dat ben ik nog steeds, maar indertijd was ik er een stuk erger aan toe. Dus toen ik later dat kunstmatige van me af kon schudden en mezelf door mijn werk kon blootleggen, was dat een overdonderende ervaring, Mijn ogen gingen open. Ik begon me te realiseren wat de ware kracht en functie van muziek was.’

ZIJN SOLODEBUUT BRILLIANT TREES (’84) WORDT BEJUBELD ALS EEN PASTORAAL MEESTERWERK. Hoewel hij in die periode een nieuwe ontsnap­pingsmethode ontdekt: cocaïne (‘dat was de laatste keer dat ik met drugs experimenteerde’). Hij ligt dermate met zichzelf in de knoop dat hij twee jaar lang in psychoanalyse gaat. ‘Via gesprekken met mijn psychiater ben ik erachter gekomen wat er in mijn jeugd is misgegaan. Het heeft me de moed gegeven een aan­tal stappen te ondernemen.’
Om zijn blik te verruimen:, gaat hij met andere artiesten samenwerken: Ryuichi Sakamoto, de voormalige Can-bassist Holger Czukay en Robert Fripp. Ondertussen krijgt zijn muziek een steeds vager en ambient-achtiger karakter. Na zijn terugkeer naar het akoestische songschrijven op Secrets Of The Beehive (’87), zakt hij weder­om in een diepe en langdurige depressie. De Japan-reünie. begin jaren ’90 onder de vlag Rain Tree crow, levert een plaat op met grotendeels instrumentale en geïm­proviseerde muziek, maar klapt al snel als een zeepbel uit elkaar door onderlinge ruzie. Dan lijkt het alsof het op artistiek gebied nooit meer goed zal komen met David Sylvian, ware het niet dat hij in de voormalige Prince-protégee Ingrid Chavez een ‘medezoeker’ en uiteindelijk zijn levensgezellin vindt. Ze trouwen in Minneapolis met Chavez’ twee katten als de enige getuigen. Vervolgens beginnen ze aan een rusteloze trektocht die hen achtereenvolgens dwars door Europa en Amerika voert. Oie trektocht is volgens Sylvian een afspiegeling van hun ‘innerlijke reis’. In Amerika vinden ze diverse (Hindoe)goeroe’s, die ze gaan volgen. Al noemt Sylvian ze liever ‘leermeesters·. Sylvian heeft altijd al een hang gehad naar zaken ais boeddhisme en hindoeïsme, maar deze goeroe’s geven hem eindelijk de gereedschappen om het ware spirituele pad te volgen, waarnaar hij al zo lang zocht.

MAAR IS DIE OOSTERSE MYSTIEK NIET GEWOON SYLVIANS ZOVEELSTE ONTSNAPPINGSPOGING? ‘Als je het met de verkeerde houding benadert, is het een ontsnapping. Als je het gebruikt als een kruk om op te leunen, zal het nooit werken. Veel van wat voor new age doorgaat, is een verwaterde en makkelijke supermarktvorm van spiritualiteit. Het is een schande dat zoveel mensen het spirituele pad als de makkelijkste weg zien, want het is allesbehalve makkelijk en allesbehalve aangenaam. Het is een schrikbarend moeilijk en pijnlijk proces. Omdat je gedwongen wordt om je ware ik in de spiegel te zien – in je volle naaktheid, zonder enige vermomming.’
Begin dit jaar heeft het echtpaar zich met hun kinderen gevestigd in de noordelijke Napa Valley in de Bay Area van Californië. om dichter bij één bepaalde leer­meesteres te zijn: Shree Maa, een Indiase heilige vrouw. die jarenlang afgezon­derd in een grot in het Himalaya-gebergte woonde en wier in het Sanskriet gezongen ode aan de Goddelijke Moeder ook op de Dead Bees-plaat staat. ‘Er bestaan honderd miljoen clichés over Californië, maar die hoeven niet allemaal noodzakelijkerwijs waar te zijn. Wij hebben de neiging om Amerikanen als naïef af te schilderen; of als enigszins gestoorden die blind achter iedere spirituele stroming aanhollen. Maar ik waardeer juist hun gebrek aan cynisme. Zij staan tenminste open voor verschillende zaken. Zij willen iets leren. Zij proberen iets te begrijpen over zichzelf. Met cynisme kom je niet verder, dat is veel te makkelijk.’
Hoe je ook over zijn spirituele zoektocht denkt, Sylvian heeft een punt. Maar het fraaiste punt maakt hij toch met Dead Bees on A Cake zelf, want die plaat is dus allesbehalve vaag, zweverig of halfzacht. Het is een fonkelend en kristalhelder statement dat in al zijn spirituele schoonheid ook het wringende en donkere avontuur niet uit de weg gaat ‘Ik heb ook de duisternis omhelst. Dus voor behangmuziek zullen mensen elders moeten zoeken. Ik heb een citaat van de dichter Robert Hass op de plaat gezet. Hij zegt dat er in ieder verkondigend werk­stuk een hoop duisternis moet zitten. zo heb ik mijn werk ook altijd benaderd: het is een viering, een lofzang op het leven. Maar als je de schaduwzijde weglaat, kun je nooit de hele menselijke geest omhelzen. Dus die duisternis móét erin zitten, anders zou de muziek niet waarachtig zijn.’

JAPAN

Weinig carrières verlopen als die van Japan. Vanaf het moment dat die extravagant uitgedoste, maar verlegen jon­gens debuteerden met Adolescent Sex, hadden ze een bijna devote aanhang. Geen plaat klonk hetzelfde en op het top­punt van de roem hielden ze het voor gezien. David Sylvian is sindsdien de meest succesvolle, artistiek verantwoorde en haast archetypisch gekwelde solo-artiest van het stel, terwijl Richard Barbieri, Mick Karn en Steve Jansen misschien min­der deining maken, maar toch onverminderd actief blijven aan de randen van de popmuziek. Twintig jaar muziek op een rijtje.
door Mark van Schaick

BIJ DAVID SYLVIAN HOEF JE NIET AAN TE KLOPPEN ALS JE WILT PRATEN OVER DE ERFENIS VAN JAPAN.
In een interview dat in opdracht van platenmaatschappij Virgin werd afgenomen ten behoeve van de promotie van zijn nieuwe cd Dead Bees On A Cake, is hij daar duidelijk in. ‘Ik luister niet naar de radio. ik kijk geen tv. Als ik nieuwe muziek wil horen. ga ik naar een winkel en kies een stapeltje nieuwe CD’S. Zo blijf ik op de hoogte. En daarom is het moeilijk voor me om in te schatten hoe invloedrijk een groep als Japan is geweest. Ik heb werkelijk geen idee. Ik wist hooguit dat
sommige mensen een deel van ons werk ver­nieuwend vonden’.

WEL, VERNIEUWEND WERD HET GELUID VAN JAPAN GELEIDELIJK AAN. De eerste indruk maakte Japan in 1978. waarbij de geverfde, lange haren en de make-up van het vijftal voor een jong publiek minstens zo opwindend waren als de stevige, funky rock van de single Adolescent sex. Dat de verkoop van het gelijknamige album tegenviel had enerzijds te maken met de aandacht die punk en disco in die dagen opeisten, maar zeker ook met het feit dat het een tamelijk gekunsteld geheel was. Sylvian: ‘onze muziek was een reactie op veel dingen. Het was een reactie op ons label, dat ons had gecontracteerd vanwege ons uiterlijk, dat ze wel opwindend vonden. Maar de muziek die we maakten, vonden ze niks, dus stopten ze ons anderhalf jaar in een studio en lieten ze ons demo na demo maken, met steeds weer een andere stijl. We werden dat zo zat. De muziek die uiteindelijk op de plaat terecht kwam, was zo agressief uit frustratie over die gang van zaken. De muziek die Japan maakte na de oprichting, nn ’74, misschien 75, was radicaal anders dan die op ons debuut. Veel meer pop en ik had me beter op mijn gemak gevoeld ais dat zo was gebleven.’

JAPAN
Goed een half jaar na het debuutalbum ligt de opvolger al in de winkels: Obscure Alternatives. Opeens pikken ook meer serieuze muziekliefhebbers Japan op, en wel vanwege de referen­ties aan het elektronische geluid van David Bowie op albums als Low en Heroes. Later zal Sylvian niet onder stoelen of banken steken hoezeer hij de eerste twee Japan-albums haat, net zo goed ais hij zal erkennen altijd met de grootste tegenzin opgetreden te hebben.
Desalniettemin speelt de groep in ’79 in Japan voor zalen vol gillende schoolmeisjes, gefascineerd door het androgyne uiterlijk van de bandleden. Over de overmatige aandacht voor hun imago zegt Sylvian: ‘Iedereen heeft als tiener een zekere mate van kunstmatigheid nodig. Het zorgt voor een verlengstuk van onszelf, waarmee we ons in het openbare leven kunnen plaatsen, zelfs op kleine schaal, in de buurt waar we wonen, bijvoorbeeld. Mensen benaderen die kunstmatigheid op verschillende niveaus en ik vind achteraf niet dat wij dat op een bijzonder creatieve manier hadden gedaan, omdat er geen enkele filosofie, geen specifiek gezichtspunt achter zat. Ik rende voor mezelf weg en dat vind ik geen gezond proces.
Hoewel Japan voor de opnames van Quiet Life (’80) meer vrijheid heeft dan daarvoor en de plaat ais gevolg daarvan een groep met een duidelijk eigen gezicht laat horen, blijft de grote doorbraak uit. Het imago is verschoven van glamrock naar new romantics, de beweging waarvan ook groepen als Duran Duran en Spandau Ballet deel uitmaken. Op muzikale gronden blijft Japan een vreemde eend in de bijt. Zo blijkt ook uit Gentlemen Take Polaroids (ook ’80), dat het afscheid van het Duitse Hansa-label markeert. Op die plaat staat de eerste echte Japan-klassieker: het minimalistische Nightporter. Invloeden van bulten de pop­muziek (Satie, wereldmuziek. avant-garde) vinden hun weg in de composities. Japan scoort in ’81 opeens een paar hits In Engeland en Japan. ‘Het is niet zo dat ik bezig ben geweest het pop-ideaal uit de begindagen terug te vinden. Ik heb een heleboel wegen verkend, waarbij ik mezelf wel binnen de grenzen van de popmuziek zie werk.en. Die zijn zo vaag dat ze je meer vrijheid geven dan die van welk ander genre ook. Ik voel me lekker binnen het kader van de pop-muziek en probeer ondertussen die grenzen wat verder te verleggen.’ zegt Sylvian nu over zijn groei als songschrijver. Binnen die grenzen past in ieder geval geen leadgitarist meer; Rob Dean stapt in ’81 op en als viertal werkt Japan aan wat het laatste en meest succesvolle studio-album zal zijn: Tin Drum. 1n al zijn vreemde schoonheid een klassiek popalbum en het enige waarover Sylvian echt tevreden zal zijn.
Muzikale en persoonlijke meningsverschillen spelen op en na het verschijnen van Tin Drum heft de groep zichzelf op. Toch doet Japan, met als extra lid Masami Tsuchiya (gitaar, toetsen), in ’82 nog een tournee. Op Oil On Canvas (’83)
staan opnames van het concert in Londen, alsmede drie instrumentale studiostukken.

SAKAMOTO
Al op Gentlemen Take Polaroids werkt Japan samen met Ryuichi Sakamoto, toen nog lid van het Japanse trio Yellow Magic Orchestra.
Sylvian: ‘Hij interviewde ons voor een tijdschrift. Ik kende toen al wat van zijn werk en kon meteen goed met hem opschieten. We schreven een song samen, wat erg goed ging, heel opwindend. Toen namen we de single Bamboo Music op. Dat was een interessante stap, want ik schreef nauwelijks meer samen met anderen, zelfs niet met de andere Japan-leden. En hij had al die kennis van muziek, dankzij zijn klassieke opleiding. Dat fascineerde me. Van­daar is onze vriendschap gegroeid. Als we in de studio waren, verkenden we allebei verschillen­de richtingen, maar er was altijd die gemeen­schappelijke taal. Alleen voor mijn laatste album verliep de samenwerking wat minder soepel.’ Sakamoto gaf Sylvian de soundtrack voor de film Merry Christmas, Mr. Lawrence, op het punt dat de laatste zich afvroeg wat na Tin Drum zijn volgende stap zou zijn.
‘Ik probeerde meer materiaal te schrijven en dat lukte maar niet, het was niet direct genoeg, het had niet genoeg … hoe zal ik het zeggen … eerlijkheid, integriteit, echtheid. Toen gaf hij me die soundtrack en de tekst voor Forbidden Colours was er eigenlijk meteen. Misschien kan ik daar nu niet meer zo aan relateren, maar toen was dat heel belangrijk. Het was zo van: het komt goed, het lukt wel, ik kan mezelf op deze manier uitdrukken. Vandaar heeft hij me er toe aangezet om Brilliant Trees te schrijven.’
Op die eerste, bejubelde soloplaat, is Sakamoto overduidelijk aanwezig. Hij werkt tevens mee aan de soundtrack bij de korte film Steel Cathedrals, in ‘8S gemaakt door Sylvian en Yasayukî Yamaguchi. Ook op Sylvians derde solo-album, Secrets Of The Beehive (’87), tekent hij voor toetsenpartijen en arrangementen voor strijkers en koperblazers. Vijf jaar later maakt het tweetal een single. Heartbeat, waarop Sylvians huidige vrouw, Ingrid Chavez, te horen is.

CZUKAY & REÜNIE
‘Vervelend, atmosferisch gefröbel.’ Aldus de Popencyclopedie over de twee platen die David Sylvian maakte met Holger Czukay, de vroegere bassist van de Duitse cultgroep Can en al aanwezig op Brilliant Trees. Nu zijn Plight & Premonition (’88) en Flux + Mutability (’89) bepaald geen pittige popplaten, maar als ambient werkstukken ook zeker niet slecht. Czukay’s vroegere bandgenoot Jaki Liebezeit verzorgt percussie op beide albums. Can-gîtarist Michael Karoli en Markus Stockhausen (op flugelhorn; zoon van avant-garde-componist Kartheinz) dragen bij aan het tweede. In sfeer en klankkleur liggen ze dicht bij de instrumen­tale tracks van het aanvankelijk alleen op cas­sette verschenen album Alchemy (later deels op CD in de (verzamel) Weatherbox en in min­dere mate die van zijn officiële tweede album, Gone To Earth.
Sylvian, Karn, Jansen en Barbieri maken in ’91 onder de naam Rain Tree Crow – niet ais Japan, omdat die naam tezeer een lading met zich meedraagt – een CD, die grotendeels op impro­visatie is gebaseerd. Soms levert dit mooie momenten op, soms blijft het resultaat wat stuurloos. Hoewel zeker geen slechte plaat, doet hij toch vooral verlangen naar nieuw solo werk van Sylvian.

FRIPP
Het is niet zo gek. dat David Sylvian op zeker moment met Robert Fripp gaat samenwerken. King Crimson en de activiteiten van Fripp en andere leden solo hebben een even trouw publiek als Japan en wat daarna kwam. Ook King Crimson ontwikkelde zich aanzienlijk, zonder maar een moment het eigen gezicht te verliezen en zonder gemakkelijk binnen het popkader te passen. Bovendien hebben King Crimson zowel als Japan, Fripp zowel als Sylvian. dat onmiskenbare, haast flegmatieke Engelse over zich. Bovendien zijn ze beiden eigenwijs en wereldvreemd, al is hun werkwijze verschillend (Fripp de one-take perfectionist. Sylvian de studioknutselaar). Toch zegt Sylvian niet zo bekend te zijn met Fripp’s verleden: ‘Ik ken King Crimson sinds de tijd dat (gitarist Adrian) Belew er lid van is. Discipline was mijn favoriete King Crimson-album. Ik was totaal onbekend met alles wat daaraan voorafging.’ Waarmee Sylvian de eerste twaalf jaar van het bestaan van die groep bedoelt – Discipline is King Crimson’s baanbrekende album uit ’81.
Fripp is voor het eerst van de partij op Sylvians officiële tweede album, Gone To Earth, waarop hij zijn gepatenteerde Frippertronics-gitaartechniek (samenspelen met een tapeloop) breed Inzet. Als Sylvian begin ’92 wordt gevraagd voor een aantal theateroptredens in Japan, slaat zijn aanvankelijke terughoudendheid om in enthou­siasme als Fripp hem voorstelt voor die gele­genheid nieuw materiaal te schrijven. 1n twee weken wordt de basis gelegd voor The First Day, een plaat die in ’93 zal verschijnen. Na de Japanse en enkele Italiaanse optredens, wordt The First Day opgenomen. waarbij uiteindelijk maar een klein deel van de songs die live waren gespeeld het album halen. Het duo doet promotie en er volgt een wereldtournee, die eind ’93 het Amsterdamse Carré aandoet. Op de voorkant van The First Day staat het duo lachend afgebeeld. Tijdens het concert kan er bij Sylvian nog geen glimlachje vanaf, terwijl de in het zwart geklede, bijna in de coulissen spelende Fripp slechts een mondhoek optrekt als er vanuit het publiek wordt verzocht een lichtje op hem te schijnen. Of het komt doordat zijn kersverse vrouw Ingrid Chavez en hun pasgeboren dochter meereizen, is niet bekend, maar dat The First Day een (zoals hij zelf beweert) gelukkiger periode voor Sylvian inluidt, is bepaald niet aan hem af te zien.

JANSEN, BARBIER!, KARN
Terwijl Meneer Polaroids neemt en ze boven­dien exposeert (de catalogus Perspectives Polaroids 82-84 van David Sylvian is zowel in Engeland als Japan verschenen), komt Mick Karn als eerste Japan-lid met een soloplaat (Titles, ’82). Hij is bovendien degene die het meest consistent is in zijn werk. Op Dreams Of Reason Produce Monsters (’87), The Tooth Mother (’93) en Bestial Cluster (’95) hoor je de unieke, melodieuze. maar vaak loodzware lijnen die hij sinds Quiet Life door de songs van Japan weeft. Het decor is verder een kruising van fusion, wereldmuziek, dance en rock. 1n ’84 verscheen de titelloze CD van Dalis Car, een doodgeboren samenwerking tussen Karn en Bauhaus-frontman Peter Murphy. Geslaagd is de CD van Polytown (’94), dat bestaat uit Karn, Terry Bozzio en David Torn. Karn werkt daar­naast met een he1e reeks artiesten uit alle windstreken, onder wie Gary Numan, Bill Nelson, Joan Armatrading, Kate Bush en Nusrat Fateh Ali Khan.
In ’87 maken Steve Jansen en Richard Barbieri hun eerste duoplaat, onder de naam The Dolphin Brothers. Catch The Fall is een goede, toegankelijke popplaat en misschien wel het beste wat ze sinds Japan hebben gedaan. Al hebben we hier de recentelijk in Japan versche­nen trio-CD _ism nog niet gehoord …
Via de productiemaatschappij Medium laten Karn. Jansen en Barbieri met regelmaat duo- of trioprojecten op de massa los, alsmede samenwerkingsverbanden met anderen (diverse Japanse muzikanten, echtgenote Suzanne Barbieri). Niet zelden klinken deze platen nogal vrijblijvend, al blijft de geest van Japan er zonder meer in rondwaren. Op Pulse Remixed (’98) buigen onder meer 4 Hero en DJ Spooky zich over Jansen’s Pulse proJect.
Barbieri en Jansen hebben, behalve op die van Sylvian, op enkele tientallen platen van Europese en Japanse artiesten meegespeeld (Barbieri o.a. Alice. Steve Hogarth; Jansen o.a. Annauading, Alice. Mandalay). Barbierî werkt sinds ’93 met zanger-gitarist Steve Wilson in diens symfonische rockgroep Porcupine Tree (vijf albums. tournees door Europa en Amerika). Met Karn en Jansen speelde hij op platen van Wilson’s andere band No-Man,

Oor Nr. 8 1999 cover

©2019 davidsylvian.net | Privacy Policy

or

Log in with your credentials

Forgot your details?